‘Krakersrellen!’ zei vriendin Sanne. ‘Dat was soms best grimmig, dan moest je rennen voor de politie.’
Ik heb zelf ook nog een blauwe maandag in een kraakpand gewoond, gezellig met een paar Duitse junks; voor de wc zat alleen een gordijntje. Sanne en ik kenden elkaar toen nog niet maar het had zomaar gekund. Allebei met onze moeders mee demonstreren voor ‘baas in eigen buik’, allebei de straat op tegen de atoombom.
Niks veranderd
Daarom waren we erg op ons gemak, daar in dat anarchistische bolwerkje aan de rand van de stad (nee, niet Ruigoord). We kwamen daar voor een voorstelling van een jong gezelschap dat speelde ‘vanuit een intersectioneel feministisch perspectief.’ Je kon er ook vegan eten in een aangrenzende loods, en betaalde dan ‘wat je kunt missen.’ Spandoeken en graffiti op alle muren, alsof we terug waren gekatapulteerd naar onze twenties. Goddank zijn er in het gegentrificeerde Amsterdam nog van dit soort vrijplaatsen!
Dus niks is veranderd, Sanne en ik moesten ervan zuchten. Er is nog steeds grootkapitaal om tegen te vechten, Toendertijd waren we bang voor de (atoom)bom, nu is er ‘de derde wereldoorlog’. Ik zie dat al een jaartje of wat terug op scholen. Als ik de kinderen een verhaal laat verzinnen, gaat het negen van de tien keer over ‘wat als er oorlog komt’ – serieus. En dan hebben we het nog niet eens over het klimaat.
Maar de voorstelling sprankelde en al die vrijwilligers kookten jong en onvermoeibaar door in de gezellige drukte van dat enorme hol. En in de hoek zat een meisje met engelengeduld een enorme krans van veldbloemen te knutselen.


