‘Can I tell you something? You look gorgeous.’
Ik zat met vriend F ijskoffie te drinken bij het Kattengat. De vrouw die mij net had aangesproken, herhaalde haar woorden nog maar eens. F en ik waren er allebei even stil van. ‘Dat komt doordat ik iets roods draag,’ zei ik uiteindelijk tegen F, ‘daar worden de mensen altijd vrolijk van.’ Maar F vond dat ik het moest ownen.
Karakteristiek
Ach, het is een oud pijntje. Van toen ik nog een onzekere onhandige puber was met een iets te kromme rug en iets te grote neus. Toen het me begon op te vallen dat sommige vriendinnen regelmatig complimenten kregen op hun uiterlijk. Omdat ze heel mooi haar hadden. Uitzonderlijk mooie ogen of wenkbrauwen. Zo’n glanzende huid. Van die mooie tanden. Zelf kreeg ik nooit random complimentjes. En als ik ze kreeg, dan waren ze een beetje abstract, dan vond iemand mij bijvoorbeeld ‘karakteristiek’. Het wende niet. Ik ontwikkelde een licht obsessieve gewoonte om altijd in spiegels te kijken, of ik misschien toch ineens knap was geworden.
Na mijn vijftigste is het helemaal goedgekomen met mijn zelfbeeld. Inmiddels kan ik echt van mijn eigen spiegelbeeld genieten. Maar hoe leuk is het toch als iemand een compliment geeft aan een onbekende. Mijn moeder was er ook altijd goed in. ‘Wat heeft u een mooie jas,’ zei ze dan, of ‘Wat een prachtige etalage’ (dat laatste bij de fetisj sm-winkel bij haar om de hoek). Iedereen altijd blij.
Gorgeous. Eenmaal thuis bij J bleef hij het de rest van de avond lief herhalen. Het was midzomernacht en ik was walking on sunshine.


