Ode 1 (Amsterdam in de herfst)

Herfst in mijn stad.

Is het de tover van Sint Maarten? In één nacht zijn de blaadjes van alle iepen geel geworden.

Je adem wordt alweer condens op de pont. Op het IJ waar rond deze tijd van het jaar de lucht één groot schilderij uit de Gouden Eeuw is, elk uur weer anders.
Achter het station waar de wind nu hard om de hoek kan komen razen. Een paar verdwaalde toeristen verward op zoek zijn naar het Red Light District. Fietsers met alweer sjaals en mutsen rijden ze behendig net niet van de sokken. Regenvlagen, die heb je nu ook steeds – en dan ineens weer die lucht die openbreekt.
Het station zelf is een blinkend ruimteschip dat dag en nacht mensen uitspuugt en opzuigt. Hier is het nooit echt donker, nooit echt nacht.

Aan de voorkant het centrum, als een kitscherige kerstkaart. Elke dag meer lichtjes aan, elke straat zijn eigen ontwerpje. En dan moet De Bijenkorf nog komen. Kleumende toeristen zie je daar, zwalkend in de geur van wiet en frituur, mijn eigen Amsterdams parfum, al zo lang.
Soms klinken er ineens kerkklokken. Ook op de straathoek waar ik jou voor het eerst kuste, een andere herfst was dat, met twee fietsen ertussen.

Het is alweer zo vroeg donker op de Nieuwezijds. Iedereen heeft haast, trams rinkelen overal dwars doorheen. Hoe stil zijn dan ineens de grachten: de huizen met hun ramen verlicht, net grote poppenhuizen. Je kunt niet ophouden met kijken.
Op de Singel worden ze kleiner, de huizen, met her en der een paar rode raampjes ertussen.
Daar is mijn straat, zuchtend onder zoveel: de mensen, de hasj, de naderende kerst in de winkels.
En daar, warm en in het midden van alles, is mijn huis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*