Twee enge brieven

Ik heb een raar soort fobie. Ik kan niet tegen officiële brieven die je moet ophalen bij het postkantoor.

We hebben beneden bij de berg een piepklein brievenbusje waar niks in past. Dus heel vaak vind je briefjes dat je even bij het postkantoor langs moet voor een pakje. Een vriendin die exotische kruiden opstuurt (en nog dagen rook het postkantoor naar komijn). Oma die krantenknipsels opstuurt. Een vriendin van Chaia die een zelfgemaakte brief vol hartjes opstuurt. Of een stapeltje Sevendays. Heel feestelijk is dat.

Deurwaarders

Maar er zijn ook andere briefjes. Veel formeler, getypt in plaats van geschreven en meestal impliceren die briefjes weinig goeds. Ik ben er doodsbang voor – alsof ik voortdurend brieven van deurwaarders krijg. Wat niet zo is. Maar meestal kosten dit soort brieven wel geld. Een belasting waarvan we niet wisten dat ie bestond. Een bekeuring: de Spaanse bekeuringen schijn je in de krant te moeten lezen en tegen de tijd dat ze je een brief sturen is het algauw vijf keer zoveel geworden. Ik ben altijd idioot bang dat ik iets niet snap of verkeerd heb gedaan. Daarom is reizen ook zo fijn: al je post raakt kwijt. Schoolinspectie, bevolkingsregister, alle aanmaningen en waarschuwingen verdwenen zomaar toen we in een Landrover woonden. Toen we terugkwamen stonden we te boek als ‘vertrokken onbekend waarheen’  en dat is een staat van zijn die ik nog steeds het meest prettig vind. (We kwamen er toen ook achter dat we een groot deel van onze reis onverzekerd waren geweest maar dat terzijde).

Enorme proporties

En nu heb ik al dagen TWEE van die enge getypte briefjes. Uit Madrid nog wel. Het is niet eens van de provincie Andalusie, want dan zou het wel uit Granada of Sevilla komen. Het klinkt stom, maar toch zeker tien keer per dag denk ik aan die brieven. Wat zou het zijn? Of: hoe naar zal het zijn? Dat heb je op zo’n berg: dan kan zoiets kleins algauw enorme proporties aannemen. Pas vandaag vind ik de moed om ze op te halen. Met lood in de schoenen naar het postkantoor. ‘Even iets vervelends doen,’  zeg ik tegen Chaia die mee is.
‘Daar ben je!’  roep de man van het postkantoor uit. ‘We hebben je overal gezocht. Kijk, wat er voor je is.’  Ik kijk. En het is helemaal niet naar. Het is mijn nieuwe boek, in twee grote stapels. Wat heeft deze post in vredesnaam met Madrid te maken? En waarom vermomde hij zich als iets engs?
Het kan me op slag niks meer schelen. ‘Kijk, dat ben ik!’  gil ik tegen de man van het postkantoor. ‘Dat is mijn naam op mijn boek.’  Ik ren de straat op, glij zoals wel vaker met mijn hakjes op de oude keitjes bijna onderuit. Een paar welwillende omaatjes duw ik in mijn vaart het boek onder hun neus. ‘Kijk wat ik heb geschreven!’  Ze vinden het heel mooi, vooral die flamencojurk. En Chaia is maar een klein beetje gegeneerd.

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (7)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*