Second paradise

Een aanval op al je zintuigen tegelijk. Zo noemde iemand het en dat is behoorlijk goed getroffen. Dit is absoluut een van mijn meest heftige reiservaringen. Ooit.

Toraja. Zo heet het volk en het gebied in het midden van Sulawesi. Glooiende rijstvelden tussen de varens, de palmbomen en het wuivend bamboe, steile rotsen, tintelende riviertjes en overal prachtig bewerkte houten huisjes met gigantische sierdaken in de vorm van buffelhoorns. En graven. Want de Toraja zijn trots op de dood. De overledenen worden niet weggestopt onder de grond maar gebalsemd en bijgezet in mooie huizen, in grotten, en in uitgehakte gaten in rotsen die er met al die raampjes uitzien als flats. Dodenflats. De hele familie gezellig bij elkaar. Ook de baby’s, die honderd jaar geleden nog door hun moeders in een enorme magische boom werden gelegd. Je ziet nog steeds de gaten, die bedekt zijn met palmbladeren.
Nu ben ik zelf behoorlijk bang voor de dood dus het leek me een goed soort uitdaging om hier te komen. De dood die bij het leven hoort, die misschien juist heel mooi is. Me onder te dompelen in die ervaring zal me misschien wel verzoenen met mijn grootste angsten. Een transformatie in Toraja!

Romeo en Julia

En ja, de dood heb ik gezien. Bijvoorbeeld in de begrafenisgrotten waar je je kruipend een weg moet banen langs botten en lijken die letterlijk hun kist komen uitrollen. ‘Kijk, die heeft nog een mutsje op,’  griezelen mijn dochters. ‘En die daar heeft als offer een enorme berg sigaretten meegekregen. Goede antirook-reclame.’
Er liggen zelfs een tot stof vergane Romeo en Julia.: twee geliefden die zelfmoord heben gepleegd omdat hun liefde verdoemd was (ze waren neef en nicht). Hun schedels liggen nu dicht tegen elkaar aan, omgeven door verlepte bloemen.

Magie

Maar de grote schok komt als we een echte begrafenis bezoeken. De vrouw die is overleden was rijk en geliefd, dus uit het hele land zijn er verre verwanten voor haar overgekomen. Duizenden mensen in een speciaal hiervoor opgericht begrafenisdorp. Nadat de vrouw eerst een jaar (!) bij haar familie thuis heeft gelegen, is nu het grote afscheid voordat ze in het familiegraf wordt bijgeplaatst.
We worden warm ontvangen in een van de huisjes waar zoete koffie en speciaal traditioneel eten is en hebben het enorm naar ons zin. Vanuit een soort terras bekijken we de enorme stroom mensen die langstrekt op weg naar de dode. Schitterende traditionele jurken en pakken, bedekt met lovertjes. Vrouwen opgemaakt als geishas. Een soort springende nar met een schild die hooggeplaatste gasten naar de familie leidt. Er wordt muziek gemaakt en gedanst. Hypnotiserend en meeslepend. Mannen die hummend in een kring staan en heen en weer wiegen, urenlang. Vrouwen die bezeten met stokken op een trog slaan in een opzwepend ritme. Steeds gebeurt er weer iets nieuws en bijzonders – en allemaal tegelijk.
‘Zie je hoe sterk onze mensen zijn?’  zegt de Toraja-jongen die ons rondleidt. ”Toen we aankwamen regende het maar nu zijn de wolken weggetoverd. Dat doen een paar oude mannen die alleen maar palmwijn drinken. Het is zware magie, maar zij kunnen het.’

Brokken vlees en ingewanden

Toch is het niet alleen maar mooi en betoverend. Het wassen beeld van de overleden dame is behoorlijk intimiderend, hoe ze daar op een verhoging naast haar kist over alles staat uit te kijken.
En er is het offeren. Als teken van respect voor de dode worden er honderden varkens meegesjouwd, stevig vastgebonden tussen twee stokken. Angstig krijsend gaan ze aan ons voorbij. En de buffels! De buffel is hier het allerhoogste statussymbool. Je rijkdom, je succes, zelfs hoeveel mensen er naar je begrafenis komen, alles wordt gemeten in buffels. Overal hoor je ze loeien.
En dan begint het slachten. Links en rechts, midden tussen het feestgewoel door vloeit ineens overal bloed. Neem dit letterlijk. ‘Een begrafenis zonder offers is als een bananenboom zonder bananen,’  zegt de Toraja jongen. ‘We werken zo hard om de buffels te krijgen, met bloed, zweet en tranen, dan is zo’n offer het ultieme teken van respect. Voor de dode en voor het dier zelf.’
Maar ach, onze arme dochters! ‘Ik vind het niet leuk om te zien, wel heel bijzonder,’ zei Chaia nog moedig toen al die beesten alleen nog maar vastgebonden waren. Nu de messen en branders eraan te pas komen en overal mensen voorbijlopen met enorme brokken vlees en ingewanden lopen ze alledrie te huilen. Chaia moet zelfs bijna overgeven.

Dijbeenbot

Onze aftocht van de begrafenis, in een walm van verbrand vlees en gillende varkens, lijkt bijna op een vlucht. ‘Als dit vannacht geen nachtmerries oplevert,’  zegt Ilco.
‘Ik dacht dat ik de dood hierna mooi en bijzonder zou vinden,’ zeg ik.
‘Een zooitje botten en verbrand vlees, meer is het niet,’  zegt Ilco, terwijl verderop alweer een dijbeenbot uit een rots priemt.
‘En waar gaat de ziel van de dode nu naartoe?’  vraag ik aan de Toraja jongen. Ik heb zo’n behoefte aan een geruststellend verhaal.
‘Naar second paradise,’  zegt hij. En dat dat een fijne plek is van waaruit alle doden liefdevol waken over hun familie.
‘En het eerste paradijs dan?’  vraag ik hoopvol. ‘Waar is dat dan?’
De jongen kijkt me stralend aan. Hij spreidt zijn armen wijd. ‘Hier,’  zegt hij, ‘Toraja life.’

Categorieën: indonesiëreis, weblog

Reacties (6)

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*


*