Nature comes at her

Dunya klimt als een aapje in een gomboom, valt omlaag en kneust haar pols. Ze duikt in een stroomversnelling en schaaft haar buik. ‘Dat komt door haar naam,’  zegt de oerwoudgids. ‘Je weet toch wat Dunya betekent? Nature comes at her. Daarom valt ze en wordt omgegooid en geprikt. Maar uiteindelijk wordt ze vrienden met de natuur en gaat ze erin op.’

We zwoegen door het oerwoud van Sumatra. Nee, niet waar. Ilco en de meisjes klauteren soepel berg op en berg af, ikzelf lijk meer op Pudding Tarzan. Overal zweet, trillende spieren, hijgend en puffend.
De tijger woont hier, een stuk dieper het woud in, maar toch. Onze gids heeft hem wel eens gezien. ‘En daarna was ik een week ziek. Van angst.’
Een groot ontzag hebben ze voor de tijger – en niet alleen de mensen. Oerwoudraadsel: waarom slapen apen ’s nachts het liefst bij de rivier? Omdat ze dan, door het geluid van het water, de tijger niet horen brullen. Want als ze dat wel zouden horen, vallen ze zo uit de bomen van pure schrik.
Goed, apen zijn hier in ieder geval overal. Zingende gibbons, chagrijnige bavianen, brutale makaken. En oerang oetans. Alleen hier en in Borneo leeft deze grote mensaap nog in het wild, verder nergens ter wereld. Ze worden goed beschermd, er is zelfs een reddingscentrum.

Een hele grote aap

We hebben al vijf orang oetangs gezien, hoog in de bomen, als we stoppen om middenin het oerwoud te gaan eten en slapen. Dan gebeurt het.
Ik verslik me in mijn nassi als er ineens een hele grote oranje aap op me af komt stormen. Een orang oetang! Er ontstaat paniek, maar dan blijkt dat de aap het niet op ons maar op ons eten heeft voorzien. De oerwoudgids herkent haar. Deze aap is, omdat haar eigen moeder dood was, opgegroeid in het reddingscentrum en daarna weer in het oerwoud uitgezet. Dat is goed gelukt, ze heeft nu zelfs een baby-aapje op haar rug. Maar ze is dus niet bang voor mensen.

Spelletje

In alle consternatie heb ik even niet op Dunya gelet. Ineens zie ik haar vlak voor de enorme aap staan. Ik schrik, maar de gids houdt me tegen als ik op haar af wil stormen. De moederaap is niet boos, alleen maar hongerig. En Dunya kijkt ook niet naar haar, maar naar het baby-aapje op haar rug – dat al net zo geinteresseerd naar Dunya staart. Dunya, normaal zo beweeglijk en druk, staat heel stil. Ze zakt op haar hurken om op dezelfde hoogte als de baby te zijn. Dan, na een behoorlijk lange tijd, pakt ze een klein stokje en steekt dat uit naar de kleine aap.
‘Voorzichtig,’  piep ik. Maar de aap pakt het stokje meteen aan en gooit het in de lucht. Het is een soort spelletje dat ze een paar keer herhalen. Ondertussen loopt de moederaap ook nog heen en weer, pakt hier een banaaan en daar een ananasschil van de grond. Als ze verder niks te eten vindt, begint ze weer weg te lopen. Dunya loopt mee, nog steeds heel rustig en starend naar het kleintje. Terwijl ik nog sta te bibberen van de close encounter, zie ik ineens hoe het baby-aapje, nog steeds op de rug van zijn moeder, zijn kleine armpje uitsteekt. Dunya aarzelt niet, steekt ook haar hand uit. Bijna plechtig drukken die twee elkaars hand. Dan verdwijnt de orang oetang weer in het oerwoud.
‘Voortaan zullen we dit aapje, als we haar weer zien, Dunya noemen,’  zegt de gids.

Reacties (10)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*