Malaria

(Kumasi, Ghana, km 17329)
De koning houdt audiëntie. Hij komt in vol oornaad het paleis in, aangekondigd door trommelaars en hoornblazers. Overal zijn zwarte mannen in lange Romeins aandoende gewaden. Dit zijn de Ashanti, ooit de machtigste stam van West Afrika, rijk geworden door goud en slavenhandel (met de Nederlanders bijvoorbeeld).
De koning spreekt zelf niet. Hij neemt geschenken in ontvangst, hij luistert. Zijn raadsheer spreekt namens hem.
Deze keer is er een groep Zuidafrikanen. Zij zijn dwars door de jungle van Angola getrokken, met Landrovers, om de koning van de Ashanti een geschenk te geven: duizenden klamboes. “We hebben krokodillen getrotseerd, rivieren en oerwoud, onze auto’s zijn van de weg geraakt, maar we wilden u en dit volk dit geschenk komen brengen. Want een klamboe is een van de weinige dingen die echt helpt tegen de hier zo talrijk aanwezige malariamuggen.”

Tussen de halfblote Ashanti loopt een lange, blonde fotograaf. Het is Ilco die zich er naar binnen gekletst heeft. Natuurlijk.
Maar waar zijn al zijn vrouwen?

Greppel

Sommige mensen zitten in de put of in een dip, wij zitten in de greppel. Zo’n soort greppel als er hier overal langs de kant van de weg zijn om de enorme sloten regenwater op te vangen. Bloem is in zo’n greppel gevallen en ging bijna kopje onder; het regende zo dat de hele weg blank stond en je niet meer zag waar de greppel begon.
Dit was een greppelweek. Zo’n week waarin dikke mannetjes rondrijden met ladingen dode kippen.
Een week waarin alle fijne plannen in het water vielen: géén kleurrijke woestijnmarkt in Burkina Faso, géén olifantenpark in Ghana, niet met z’n allen naar de koning van de Ashanti.

Want Chaia werd ziek. Hoge koorts, hevige krampen.
Na twee dagen gingen we toch maar naar een ziekenhuis om te laten onderzoeken welk virus of parasiet het was. Dat bleek een soort salmonella te zijn.
Een malariatest deden ze standaard – en bleek ook nog eens positief.
“Maar we slikken anti-malariamedicijnen.”
“In dit natte seizoen, ontkom je er toch niet aan,” zei de dokter, die aan de lopende band malariapatiënten voor zich had. En inderdaad, hier kijkt niemand ervan op.
Malaria? Ja, vervelend. Volgende patient.

Dapper

Maar ondertussen is ons meisje zo verschrikkelijk ziek. Klein en dapper ligt ze in het hotelbed, de ogen in het ingevallen smoeltje groot en diepblauw. Hebben we ooit eerder zo’n ziek kind gehad? Ilco en ik doen wisseldiensten, Bloem helpt geweldig mee en een bij vlagen boze Dunya speelt de van haar troon gestoten koningin.
We moeten lastige keuzes maken: laten we haar in het ziekenhuis, waar ze in een schokkend armoedige, hete kamer met meerdere doodzieke kindjes in een bed moet liggen, of nemen we haar weer mee – ook al houdt ze niets binnen en dus ook niet de medicijnen?
Gelukkig vinden we ook hier weer goede dokters en behulpzame Afrikanen. Wil Chaia een warm bad? Er wordt een enorme teil aangesleept. Willen we niet uren op onze beurt wachten in het overvolle ziekenhuis? Iemand loodst ons langs de ergste rijen. Een dokter die op zondag naar het hotel komt? Een Nigeriaanse topvoetballer vindt hem voor ons.
Ze wordt beter, Chaia, de medicijnen slaan eindelijk aan. Vanmorgen zaten we met z’n allen The sound of music te kijken op de computer en Chaia zat de hele film uit – en at ondertussen zelfs een boterham! Wat een geluk.
Maar het zal nog wel even duren voor Chaia weer echt helemaal op krachten is. Tot die tijd is ze vast heel blij met bemoedigende post uit Nederland. Dit is haar emailadres: chaiamaria@hotmail.com

Categorieën: afrikareis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*