Categorieën
Verhalen van een Amsterdams leven

Trees of life

Ik was zeventien toen ik, door een wonderbaarlijk toeval, voor het eerst in de jungle kwam.

Mijn tante in New York had mij en mijn vriendje in de zomervakantie bij haar uitgenodigd en betaalde zomaar de tickets. We hadden eigenlijk gespaard voor Interrail, maar dat geld konden we nu mooi gebruiken om onze vakantie na dat bezoek dáár te houden. We deden het gewoon, ook al waren dat soort reizen in die tijd best bijzonder, en boekten een Greyhound Bus via Florida naar Mexico.

Ontroering

Het was toen dat ik voor het eerst in een oerwoud was. The first cut is the deepest. De kruidige geuren, de broeierige vochtige lucht, de geluiden van vogels, kikkers, krekels. De zwarte nachten. Ik weet nog hoe ik mijn moeder later vertelde dat ik middenin dat oerwoud zomaar moest huilen. En daarna veranderde letterlijk alles. Ik ging alles van Gabriel Garcia Marquez lezen, Spaans studeren aan de uni en daarna Latijns Amerika Studies. En mijn vriendje en ik gingen vanaf dat moment als een malle sparen om steeds weer naar Latijns Amerika terug te kunnen gaan. Ook toen we kinderen kregen sleepten we ze mee, klein als ze waren. Zo kwam ik in de jungle van Brazilië, van Venezuela, van Ecuador, van Costa Rica… en elke keer was het er weer, die ontroering.
Twee jaar geleden zei ik tegen mijn huidige geliefde J: ‘Ik wil het ook met jou, die jungle.’ Zo kwamen we in Colombia terecht, waar hij me – middenin die jungle – ten huwelijk vroeg. En nu zijn we dan, weer door een wonderlijke speling van het lot (de tickets die we wonnen via Air Europa) in de moeder aller jungles: de Amazone.
Ik ben me in eerste instantie scherp bewust van de eerdere keren dat ik hier was, zelfs van de eerdere man. Dat is niet sexy op je huwelijksreis, maar als ik het na een dag toch maar vertel, begrijpt J het helemaal. ‘Het zou gek zijn als dat niet zo was.’ Meteen valt er iets van me af, wordt alles schoon. Ja, de Amazone! De warme lucht, de geuren, de vogels… 
We hebben een vrij simpele lodge met daarin een droomhuisje dat Sanaúma heet, de heilige levensboom.  Met lokale gidsen die echt alles weten over het leven hier, varen we eindeloos over de Rio Negro, we zwemmen in het lauwe water, lopen urenlang door het oerwoud, gaan vissen op piranha’s. Wie had gedacht dat ik, Anna, de allergrootste zou vangen, groter nog dan die van de gids? Later leggen we aan bij een piepklein drijvend winkeltje waar ze onze vissen bakken. Twee roze Amazone-dolfijnen springen omhoog terwijl we, met onze benen bungelend in het water (J een klein beetje bang voor de piranha’a) naar de zonsondergang zitten kijken. En alles is weer voor het eerst.

‘Weet je,’ zeg ik uit de grond van mijn hart tegen mijn echtgenoot, ‘we zijn eigenlijk pas net begonnen.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *