Ode 32

Het begon met de sneeuwklokjes.

Ineens, op rare plekken. Tussen de hondendrollen in stomme stadsplantsoenen in Amsterdam Noord. Zo’n witte zee bij het voorbijfietsen, dat je eerst denkt dat het heel veel snippers wc-papier zijn.

Zin

Ik rook het ook al, maar de meeste collega’s liepen nog te mopperen en te bibberen, wilden het niet zien. Tot gisteren. Toen voelde ineens iedereen het, het was het gesprek van de dag, op de pont met onze gezichten in de zon. Het was eindelijk… Wat hadden we zin in… Andere jassen… Terrasjes… Huppekee naar buiten. De dochter kwam nooit meer thuis van school, die bleef urenlang met haar vrienden in het Westerpark. De andere draaide overuren in het cafe waar ze het terras open hadden gegooid. En iedereen op straat liep rechter.
Ik zag  ergens dat in Spanje nu allang de amandelbloesem aan de bomen zit, dat de zon alweer hoog, dat het kortstondig bloeien begint van wat heel erg snel alweer totaal verdroogde stoffige velden zullen zijn. Ja, er zijn seizoenen in Spanje, maar de zomer overheerst.

Ik mis dat niet.

Goed, al dat fietsen in de regen, in de wind, in de mist, nog maar zo kort geleden en wie weet volgende week wel weer. Ik heb het natuurlijk verschrikkelijk vervloekt, ik ben zo nat geworden, tot op mijn ondergoed, je zadel een ijskoude spons, zulke koude handen dat het pijn deed.
Maar dan is dus de… ja ik zeg het gewoon, het ongelooflijke woord dat je eigenlijk heel snel moet afkloppen voor het weer weg is… dan is dus de lente zachter, mooier, liever. Daarna.

Het is eigenlijk net het leven zelf.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*