Candlelight

Ik lag in mijn bedje op de grond in mijn tienerkamer (het was toen hip om op de grond te slapen). De vloer was van chocoladebruin gebeitste planken, de muren ook iets donkers. Ik had alle lichten uit en de radio aan. En dan huilde ik een beetje.

Er waren droeve liedjes op de radio. Nights in white satin. I’m not in love. En die gedichten. Of eigenlijk vooral die stem.

Pijn

‘Pijn,’ zei die stem diep en intens en het was alsof hij pijn zelf had uitgevonden. ‘Voor jou,’ zei die stem tegen mij – en alleen tegen mij. Het ging vaak over de liefde bij de stem, bij wie ik me nooit een gezicht voorstelde. Een beetje zoals God. Er waren nogal wat dingen die mis konden gaan met de liefde. Gebroken. Verboden. Onmogelijk. ‘Verlangen’ zei de stem en ik begreep dat wat ik nog niet kon begrijpen. Maar wat ik zo graag wilde: daar zijn, dat voelen, die heftigheid, ook dat verdriet. In die tijd kon ik een zwart gevoel oproepen dat als een dikke deken om en over mij heen kwam. Dat was gruwelijk maar ook fijn. Omdat het zo groot en zo veel was misschien, ik weet het nog steeds niet. Wel dat ik het nu niet meer kan, dat op commando oproepen. Net zoals ik de huiskamergedichten van Candlelight nog steeds niet helemaal begrijp, al is het nu eerder: niet méér. Ik ben er voorbij geschoten.

Hoe begint een boek? Nu de nieuwste uit is wordt me weer vaak gevraagd naar ‘hoe het zo kwam’, ‘wat me inspireerde’. Die eerste vonk, of die paar eerste vonken, nu drie jaar geleden.
En nu. Een meisje in haar eentje in het donker. Luisterend naar slechte gedichten over onderwerpen die ze nog niet snapt maar zo graag wil snappen. Alvast huilend. Zo begint een boek.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*