Ik ben Simon

Ik stond zo hard op mijn remmen dat een hele kudde fietsers achter me vloekend op elkaar klapte.

Maar de stad zit vol geheime teksten en ik zag er zomaar eentje op de brug bij het station.

Kleine sprookjes van het gewone leven

Ik denk dat hij niet echt dood is. Kijk maar: hij schrijft nog op bruggen. En zijn stem hoor ik nog af en toe. Bij de kroegen op de Zeedijk, tussen de kraampjes op de Van der Pekmarkt.
Ik mocht er vroeger voor opblijven als klein meisje, voor zijn Kronkels op de televisie. Dat was kort en raadselachtig en er was een muziekje bij dat ik nog steeds kan neuriën. Kleine sprookjes van het gewone leven. Ik snapte ze maar half maar ze betoverden me.
Niemand lijkt zo op een vogel als hij. Ooit heb ik les gehad van zijn zoon: een knappe man met krullen (ja ik was een beetje verliefd), maar die had dat dus ook. Dat snavelige. En dat talige ook, trouwens. En dat gevoelige (ik zei toch: verliefd).

Ik schreef een stuk voor het Parool, het ging over een schoorsteenveger. Een beetje een raar stuk met mezelf als alwetende verteller. De chef van de krant schreef dat ze het een fijn verhaal vond.  ‘Zo’n andere vorm vind ik wel goed in de krant af -en  toe.’ En mijn schrijfvriendin Jowi zei: ‘Anna de chroniqueur van het Amsterdamse leven.’ Misschien heb ik haar dat in de mond gelegd, maar toch.

Reacties (1)

  • Kronkels, ik heb veel van zijn boeken.
    Alleen het woordje Epibreren… en ik denk onmiddellijk aan Carmiggelt, die op dezelfde overleed als mijn schoonvader.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*