Daar komt mijn moeder aangeschuifeld

’Mama, daar is oma!’
Het valt niet te ontkennen. Daar komt ze aan geschuifeld over het pad langs het water. Wit wild haar, rollatortje, grote oorbellen. Helemaal vanaf de Nieuwmarkt, dwars door het station en met de pont. Wij zijn back in town en mijn moeder is in haar eentje het allergrootste ontvangstcomité.

Anna Maria

Nooit heeft ze gemopperd toen we al haar kleindochters ontvoerden naar Afrika en daarna naar Spanje. Ook niet toen ze zelf niet meer naar Spanje kon reizen. Of toen ze halsoverkop moest verhuizen naar De Flesseman, omdat het alleen wonen echt niet meer ging. Het enige waaraan ik merkte hoe zeer ze mij – haar oudste dochter- miste waren de foto’s van de boten. Ze spaarde ze: niet zomaar foto’s, maar van boten die Anna Maria heetten: haar naam en de mijne. Vaak zat ze eindeloos voor haar raam te staren; als je maar lang genoeg wacht, zijn er best veel boten die Anna Maria heten.
Toen we vertelden dat we terugkwamen, barstte ze in tranen uit. Maar het duurde nog een jaar voor de grote verhuizing eindelijk plaatsvond.
In dat jaar is ze begonnen met haar vaste route: langs de kade, door het station, op de pont. De eerste paar keer werd ze liefdevol opgevangen door de verhalenbuurvrouw naast het sluisje die gelukkig wist dat deze dappere strompelaar mijn moeder was. Daarna leerde ze – tot ieders verbazing- de weg kennen. Dus kon het gebeuren dat mijn moeder werd gesignaleerd aan de overkant van het IJ, alwaar ze gewoon maar zo’n beetje naar ons toekomstige huisje stond te staren, als het vrouwtje van Stavoren.
Later werd ze vrienden met de bouwers. ‘Ik mag altijd even binnen komen plassen,’ deelde ze te pas en te onpas mee.

Ongelooflijk

En nu zijn wij er dus zelf. ‘Ik ga wel door met verhuisdozen uitpakken hoor mam,’ roep ik gestresst. Maar daar zit mijn moeder helemaal niet mee. In al haar opdringerigheid is ze bewonderenswaardig bescheiden. Straks wordt het zo’n Spaans beeld op ons zomerterras: een oma die altijd in haar vaste hoekje zit, zomaar een beetje te genieten als een spinnend oud poesje.
Die gedachte doet mijn eigen onrust smelten en, net voor ze er weer vandoor tippelt, ren ik nog even achter haar aan. Samen kijken we uit over het IJ. ‘Ongelooflijk hè? Dat jullie nu hier zijn.’
‘Ongelooflijk.’ Ik kan het niet nalaten om te kijken of de volgende boot misschien… Hij heet Esperanza. Ook goed.

Gisteren verschenen als column in het Parool.

Reacties (4)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*