Kindervriend

‘Houdt u van kinderen?’ Het is een van de vragen in een ‘moeilijke’ klas. Iedereen kijkt me nieuwsgierig aan – volgens mij is het een soort test.

‘Een korte spanningsboog. En nee, ze kunnen niet echt een verhaal schrijven.’  Zo voorgelicht vertrek ik vandaag nogal bezorgd naar een school voor speciaal onderwijs. Om schrijfworkshops te gaan geven dus. ‘Je kunt misschien leuk over je reizen vertellen,’  heeft de coordinator van de school als alternatief geopperd. Ik wil altijd wel over mijn reizen vertellen, maar een hele dag lang? Wat heeft dat dan nog met de kinderboekenweek te maken? Zo leuk vind ik mezelf nou ook weer niet. En – ernstiger- zo leuk vind ik kinderen ook niet.
Er staat deze week een artikel in Vrij Nederland over of alle kinderboekenschrijvers kindervrienden zijn. Het antwoord is natuurlijk nee. Alsof alle banketbakkers de hele dag taart zitten te eten (integendeel volgens mij). Nou ja in ieder geval is het antwoord voor mij nee. In de klas ben ik stiekem best vaak bang. Dat niemand naar me luistert bijvoorbeeld. Ik herinner me nog maar al te goed hoe ik zelf als kind kon zijn. Gisteren heb ik, moe als ik inmiddels ben, een vervelende jongen nog ‘Hou je kop’  toegesnauwd. Daar schrokken we allemaal van.

Handen en voeten

Schoolregel nummer 3: handen en voeten zijn bij jezelf. De tekst hangt dreigend op de deur. ‘Veel heftige gezinssituaties hier,’  fluistert een leraar mij in. ‘Waar niet?’  probeer ik vrolijk. ‘Politie-invallen, stelen, vechtpartijen,’  antwoordt ze somber.
En dan sta ik al binnen. ‘Hallo, ik ben Anna van Praag en ik schrijf kinderboeken.’
Het gaat goed, niemand lacht me uit, iedereen kijkt me aan.
En dat blijft zo. De hele dag. ‘De kinderen zuigen je op,’  zegt een juf opgewonden. Ik voel me niet opgezogen, maar er gebeurt inderdaad iets magisch. We praten over Nooit meer lief, maar ook over olifanten. Over verbeeldingskracht en hoe sterk dat je maakt. En ze schrijven wel degelijk verhalen – hoezo kunnen ze dat niet?! Lange, dyslectische, prachtige heldenverhalen worden dat. ‘Ik wou dat ik de hulk was. Dat ik sterk was en stoer en dat ik alles kon. Tegen de nare dingen vechten. Vrienden maken. Verdrietige mensen helpen. O ik wenste ik wenste dat ik de hulk was.’ Een ander kind zegt: ‘Ik werd heel erg gepest, maar nu bent u mijn voorbeeld.’
En dan komt dus ineens die vraag:‘Houdt u van kinderen?’ Ze kijken me allemaal aan.
Als ik nu niet eerlijk ben, slaat deze hele dag nergens op, denk ik. Dus ik schrik maar heel even en dan zeg ik nee. ‘Nee, ik houd niet van kinderen. Ik zal blij zijn als ik straks weer lekker rustig achter mijn computer zit. Maar ik hou wel van jullie.’

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (3)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*