Jonge hondjes langs de weg zetten

‘Ik ben dol op kerstmis maar ik heb al tegen mijn man gezegd: we doen dit jaar geen boom,’  zei de bibliothecaresse en hierbij trilde haar lip hevig.

Daar zat ik vorige week de laatste ‘schrijver op bezoek’ te zijn in de kleine dorpsbibliotheek. ‘Ik ga heel veel foto’s maken,‘  zei de bibliothecaresse die daar al dertig (of misschien wel vijftig) jaar de scepter zwaaide. ‘Mijn scholen’  zei ze ook steeds over de buurtkinderen waarvan ze de meesten wel kende en precies wist wie er gek was op lezen en wie ‘druk, maar wel heel nieuwsgierig’. Of ‘mijn ouwetjes die hier altijd hun boeken komen halen’. Klein en makkelijk was het: een zaaltje in een buurtcentrum. Het rook er lekker muf naar oude boeken en de kinderen zaten gewoon op de grond. Het deed me denken aan mijn eigen buurtbibliotheek van vroeger. Ook zittend op de grond, verstopt achter een paar kasten, las ik daar alles wat er maar een beetje leesbaar uitzag. Het was de tijd van de probleemboeken over meisjes van wie de ouders gingen scheiden of het broertje een mongooltje was. O, wat verlang ik soms terug naar verhalen als Als je een negermeisje bent of Voor donker thuis. In dat laatste boek ging het op een bepaald moment over ‘De nachtelijke geur van zaad en zweet’ – hoe fascinerend vond ik dat, de woorden lichten nog steeds op in mijn hoofd.

Lees mij, lees mij

Bibliotheken sluiten, ik vind het net zoiets als jonge hondjes in een doos langs de weg zetten. Wie doet er nou zoiets?!  Kom maar eens bij mij in Spanje kijken wat er gebeurt als je de literatuur niet in liefde bedt: alle kinderen hier, niemand uitgezonderd, associeren boeken met leren en dus met iets naars.
Soms wordt zo’n zwerfhondje ergens opgepikt. Diezelfde ochtend was ik nog in de stationsbibliotheek van Haarlem waar alles even licht was en mooi met boeken die je aan alle kanten verleidden als de appeltjes aan de boom in het sprookje van Vrouw Holle: lees mij, lees mij.
Maar Haarlem is lichtjaren verwijderd van het kleine dorpje waar de bibliothecaresse haar eigen requiem zingt. ‘En wat dacht je van mijn dames? Zeker twintig vrouwen die al die jaren alles opzij hebben gezet om hier vrijwilliger te zijn.‘  Ze haalt met een moedeloos gebaar haar schouders op. ‘Sommigen zeggen me: dit is me te abrupt, ik wil komen meehelpen met het onttakelen. Opruimen, boeken afschrijven. Het hele proces van afscheid nemen van dichtbij meemaken.’
Als de laatste kinderen de deur uit zijn, komt ze met het bibliotheekexemplaar van Vossenjacht naar mij toe. ‘Zou je hier misschien een handtekening…?‘  En dan, met plotseling venijn: ‘Die zet ik niet terug op de plank. Die hou ik gewoon lekker zelf!’

Categorieën: verhalen van de berg

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*