Categorieën
Verhalen van een Amsterdams leven

Zwoel

Een kleine veertig jaar geleden kreeg ik mijn eerste eigen kamertje: op de zolder van de Amsterdamse wijk De Pijp.

Het was een groezelige, maar gezellige buurt, met overal ratten en kakkerlakken, de Albert Cuijpmarkt om de hoek, en veel vriendinnen met dezelfde kleine huisjes op loopafstand. Ik had een douche middenin mijn kamer, sliep op een soort verhoging, al het hout was turquoise geschilderd. Soms zat ik in mijn piepkleine zolderraampje te zonnebaden. ‘ s Nachts hoorde ik de muizen aan mijn kleren knabbelen. Ik was op een achteloze manier krankzinnig gelukkig.

Mooie gerechten en mooie gesprekken

Een kleine twintig jaar geleden verliet ik Amsterdam met de bedoeling er nooit meer terug te keren. Op reis door de wereld werd ik verliefd op Sevilla: zoals die stad dag en nacht leefde, met alle terrasjes eindeloos open in een eindeloze paseo. Je zou er maar wonen. In plaats daarvan belandde ik uiteindelijk tussen de olijfbomen, waar ik onder de vallende sterren stiekem elk jaar meer droomde van de stad die ik juist in volle vaart had verlaten – tot ik tien jaar geleden terugkwam.
De ratten wandelen er nog steeds vrolijk rond, maar de kakkerlakken zijn ervandoor en verder is de Pijp ook behoorlijk opgeknapt. Gisteren was zo’n zeldzaam zwoele zomeravond die nooit af lijkt te koelen. Ik was weer terug uit Vlissingen en kookte zoals altijd op dinsdag voor mijn roedel kinderen. Mijn eigen dochters waren er niet eens, toch was de tafel gevuld met mooie gerechten en gesprekken. Over de liefde werd er gepraat, over liefdesverdriet. Over reizen. Over dansen. Over spannende banen, dingen die nog in het duister verscholen lagen, wat zou er nog allemaal gebeuren?
Toen de laatste was verdwenen en ik de ergste zooi had opgeruimd, deed ik nog een paseo met mezelf. Amsterdam was in Sevilla veranderd: alle terrassen zaten vol, met studenten, expats, ras-Amsterdammers, yuppen. Ik ving flarden op van gesprekken, op elk terras weer anders van toon. Vroeg me af of ik het jammer vond dat ik deze uitzonderlijk zachte zomeravond niet met mijn geliefde deelde. Maar ik dacht: ander keertje weer. En dat al die mensen met hun mooie drankjes voor zich rijk waren – maar ik ook. Met mijn veertig vierkante meter daar net aan de andere kant van de Ceintuurbaan, waar de terrassen langzaam verstomden.

Ik draaide de sleutel om, het licht van het enigszins aftandse trappenhuis floepte aan. Op tweehoog lagen de kruimels van de mooie avond nog op de tafel en hingen mijn katten voor pampus uitgestrekt op de lauwe vloer. De vaatwasser zoemde zachtjes en het was overal net iets te warm.
Ik deed een voor een, en heel rustig, de lichtjes uit.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *