Categorieën
Verhalen van een Amsterdams leven

Ik ben de zee, zei de golf; en rolde terug en was de zee

Mijn moeder was constant aan het opruimen. ‘Ruimen,’ zei ze zelf.

Ze ging vervroegd met pensioen na een bewogen leven. Nu kon ze eindelijk haar astrologiepraktijk opbouwen na die lange zware studie. De dingen doen die ze altijd nog wilde. Haar tweede boek met kinderrijmpjes schrijven bijvoorbeeld, het zong in haar hoofd. Maar eerst…  ging ze eens even goed ruimen.

Raadsels

Ze verplaatste dozen, mappen, paperassen, boeken. Zocht dingen uit, herschikte, maakte stapels. Prima natuurlijk. Behalve toen ze na een jaar, twee jaar… nog steeds aan het ruimen was. Eigenlijk hield ze er nooit meer mee op. En die astrologiepraktijk? Nooit gebeurd.
Het is maar een van de vele raadsels van mijn moeders leven. Soms is het voor mij een schrikbeeld hoe zij uit haar dynamische bestaan tuimelde. Ik ga dat anders doen, mam, mompel ik dan, als ik af en toe met haar praat.
Bij een van mijn vele wandelingen langs de Zeeuwse kust, besluit ik naar het windorgel te gaan, haar lievelingsplek. Het is makkelijk om stemmen te horen als de wind zingt.
Maar mijn moeder praat, voor het eerst, niet meer terug.

Op het zand heeft de zee patronen van golven achtergelaten. Zo is het ook met mijn moeder, denk ik. Ze is de golf, was de golf, en nu – zes jaar naar haar dood – is ze dan nu teruggevloeid naar de zee. Als ik met haar praat of aan haar denk is dat slechts met de afdruk van haar.
Dat is niet verdrietig, gek genoeg. Mijn moeders genen zitten toch wel in me, ik ben haar schatplichtig voor zoveel.
Maar haar ziel is nu echt overgegaan, eindelijk.

Ze hoeft niks meer te ruimen, nooit meer. Ze is zelf de ruimte geworden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *