Het verhaal van Nooit meer lief (Vrij Nederland)

Bij het uitkomen van Nooit meer lief deed dit artikel van Anna over ‘het stoute personage in de kinderliteratuur’ in Vrij Nederland nogal wat stof opwaaien.

Pippi Langkous is dood

Ik ben negen jaar en mijn vader leest mij voor. Prachtige verhalen over kinderen die de wereld beter gaan maken. Het is begin jaren zeventig en de Tweede Wereldoorlog echoot nog na. ‘De nieuwe bond’, ‘Een nieuwe morgen’ – het zijn maar een paar van de weinig aan de verbeelding overlatende titels en ik kan er geen genoeg van krijgen. Goed of kwaad, dapper of laf, in mijn boekenuniversum is alles duidelijk. Zelfs in de boeken die net nieuw zijn, zoals die van de nog jonge schrijfster Astrid Lindgren. ‘Er zijn van die dingen die je moet doen in het leven, anders ben je geen mens maar een lor,’ verzucht Kruimel Leeuwenhart alvorens de wrede draak Katla te verslaan en o wat ben ik het met hem eens!
Ondertussen zien mijn persoonlijke draken er ietwat anders uit. Met een paar vriendinnen vorm ik mijn eigen ‘bende van Rode Zora’ . Alleen stelen wij niet van de rijken, maar van de arme mevrouw van de boekwinkel verderop. Echte, dure boeken, die wij soms niet eens lezen. Waarom? Eigenlijk voornamelijk om de kick van het pikken, en van het liegen erover tegen onze ouders, vrees ik. Ook pesten wij het liefste meisje van de klas en smeren kauwgum in haar haar. Een onoverbrugbare kloof lijkt er te liggen tussen de helden uit mijn boeken die consequent opkomen voor de zwakkeren en mijn eigen gedrag– en toch blijf ik stug doorlezen.

Rotkind-met-een-reden

Even houd ik mijn adem in als ik een nieuw boek in handen krijg dat gaat over een meisje dat Madelief heet. Wat vooral hard aankomt, is een scene waarin vrij gedetailleerd wordt beschreven hoe een paar kinderen bij een vlieg de vleugels uittrekken. Ze staan er bij en kijken ernaar en niemand zegt: ‘Zijn jullie nou helemaal gek geworden, die arme vlieg!’ Fascinerend vind ik dat. Maar verder is deze Madelief een meisje dat deugt. Ze is brutaal, maar op een ontwapende manier, moedig, lief, een kind om van te houden. En dat geldt ook voor de andere boekenhelden die mijn kindertijd bevolken. Ze heten Stan, Rudolf van Rotterdam of Tiuri en ze zijn mijn spiegel op dewereld, een voorbeeld van hoe je moet zijn. Alleen, in de praktijk ben ik zelf vaak heel anders. Hoe zit dat dan?
Ik blijf kinderboeken lezen, ook als ik naar de middelbare school ga. Misschien omdat ik blijf zoeken naar het rotkind dat ik zelf was, inmiddels een suk braver, maar toch. Ik vind haar niet. Ja, soms even in nieuwe poetische boeken die in de jaren tachtig ineens verschijnen. In ‘Lieveling boterbloem’ mishandelt een meisje haar lievelingspop. Dat wonderlijke verhaal lees ik opnieuw en opnieuw. Maar in de meer populaire boeken gaat het nog steeds over kinderen die deugen. Soms is de hoodrol nu voor een kind dat pest. Dan koop ik dat boek meteen, hoewel ik eigenlijk al weet: dit is vast weer een rotkind-met-een-reden, een kind dat zelf rotouders heeft, een rotomgeving, toch weer een slachtoffer.

Het verhaal van het rotkind

Ik word zelf schrijver van kinderboeken. En o, wat zijn mijn hoofdpersonen consequent. Verlegen misschien, kattig, sociaal onhandig, maar zeker geen rotkinderen. Ik ben al bijna vergeten hoe het was om mij te zijn, als kind, hoe makkelijk het was om stout te zijn en helemaal niet zo leuk. Totdat ik op een dag wakker word en denk: nu. Nu ga ik dat andere verhaal opschrijven, het verhaal van het roktind. Besmuikt giechelend vertel ik het aan mijn uitgever en krijg, voorzichtig, carte blanche. En dan begint het proces van heirnneringen ordenen, opschrijven, en vervolgens tot een verhaal maken – wat weer iets heel anders is. Het is slopend, dit schrijven, ik ben vaak doodmoe en twijfel waar ik in vredesnaam mee bezig ben. Voor het eerst in al de tijd dat ik schrijver ben, mogen mijn eigen dochters (diep beledigd) van mij niet meelezen. Wat betekent dat? Ondertussen begin ik hier en daar in mijn omgeving beetje bij beetje te vertellen over dit nieuwe boek. En dan gebeurt er iets ongelooflijks. Niemand zegt: ‘Echt waar? Was jij zo’n rotkind? Dat zou je ook niet zeggen.’ Nee, men begint weg te kijken, te lachen, te stotteren zelfs. En dan krijg ik tot mijn verbazing de ene na de andere ontboezeming te horen, vaak ingeleid door woorden als ‘ Het is eigenlijk idioot als je er nu op terugkijkt, maar ik heb vroeger dus…’ Het materiaal voor mijn boek stroomt binnen!
‘En zo gek is dat helemaal niet, want kinderen hebben nog amper een moreel besef,’ zegt een bevriend psychiater. ‘Wat is geweten?’ heb ik aan hem gevraagd. ‘En hoe werkt dat bij kinderen?’ Niet dus, is zijn ietwat ontluisterende antwoord. ‘Het puberende brein’ ligt inmiddels op veel nachtkastjes van moderne ouders. Ergens in de afgelopen jaren hebben neuropsychologen ontdekt dat wat wij het geweten noemen pas langzaam groeit in de hersenen. Kinderen hebben nog helemaal geen echt geweten. Dat moeten ze aanleren, eerst in hun hoofd (pesten mag niet), en pas veel later in hun hart (als je iemand pest, maak je iemand verdrietig). Als je het zo bekijkt, moet het dus wemelen van de stiekeme rotkinderen!

Dat krijgen we niet verkocht

Zo niet in boeken. In een bibliotheek waar ik een lezing geef stuit ik op een project over ‘stoute kinderen’. Maar de kinderen die stout zijn, zijn dat dat zo grappig dat het een karikatuur wordt. Of ze zijn Pippi-stout. Pippi Langkous, ons aller heldin over wie Astrid Lindgren ooit aan haar uitgever schijnt te hebben geschreven ‘ik hoop dat u niet subiet de kinderbescherming belt na het lezen van dit boek.’ Pippi Langkous stout? Dat moedige schatje dat altijd opkomt voor zielige underdogs? Die, als ze per ongeluk in een winkel iets sloopt, onmiddellijk met een berg goudstukken aan komt zetten? Die iedereen cadeautjes geeft en gelukkig wil maken en huilt als ze een dood vogeltje ziet? Misschien vonden we in de jaren zeventig Pippi een brutale meid, maar inmiddels weten we wel meer over echt stoute kinderen. Het gekke is alleen: Pippi is na al die tijd nog steeds grotendeels de norm in kinderboeken – dus in de boeken voor tot een jaar of elf.
En daarom ben ik benieuwd en ook een beetje bezorgd over wat er met mijn eigen boek gaat gebeuren als het uitkomt. Ik breek een lans voor rotkinderen, maar weten zij dat wel? Bij het boek bied ik worshops aan voor scholen, ‘lessen voor rotkinderen’ waarvoor ik speciaal de quiz ‘ hoe erg ben jij?’ heb gemaakt. Welke school duft dat te boeken?
Zo raar is mijn vrees niet. Het begint er al mee dat ik de titel moet veranderen. Rotkind, zo zou het boek gaan heten. Maar dat mag niet. ‘Dan krijgen we het niet verkocht,’ zeggen de uitgever, de vertegenwoordigers, de mensen die het weten kunnen. Het gekke is: als ik er op een school over vertel, word ik uitgelachen en krijg ik boze biefjes mee naar huis: ‘Een boek met zo’n titel zou ik juist wel lezen!’ Maar als ik daarover begin tegen Rietje Nivard, de eigenaresse van de gootste kinderboekwinkel van Nederland, is ze heel beslist: ‘Kinderen waar iets mee is, dat verkoopt inderdaad heel slecht. Dat is geen leuk cadeautje.’ Want ja, dat zijn kinderboeken dus: een cadeautje dat wij grote mensen aan onze kinderen geven. Kinderboekenweek cadeautjestijd. En hoe verleidelijk is het om iets te geven dat lekker veilig is? Pippi Langkous, altijd goed, en o wat zijn kinderen toch leuk.

Reacties (12)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*