Uit de droom helpen

‘En wat zei jij toen?’ vraagt de dochter.

Het verhaal heeft nog een staartje.

Annie Praag en Anna van Woltz

‘Goeiemorgen mevrouw, ik kom de meters checken. Lekker muziekje heeft u op trouwens.’
‘Dat is mijn schrijfmuziek.’
‘O, u bent schrijfster? Hoor die vingertjes nou tikken. Jeugdboeken, zegt u? Mag ik u vragen naar uw naam?’
Ik zeg mijn naam en hij zegt verrast: ‘O, dat bent u.’
Nu heeft hij eindelijk mijn aandacht. ‘Wereldberoemd in de Haarlemmerstraat,’ grap ik vrolijk terug.
De man noteert intussen mijn telefoonnummer. ‘Annie Praag. Die boeken kent toch iedereen? Jip en Janneke enzo.’
En ja, wat zei ik toen? Nou, niks. Hoe leuk is het als die man ’s avonds thuiskomt bij zijn vrouw en vertelt wat hij nou weer heeft meegemaakt vandaag: de beroemde Annie Praag ontmoet, van Jip en Janneke. ‘Ze weten toch niet dat ze eigenlijk dood is,’ zeg ik tegen de dochter.
Ik kan mensen nou eenmaal niet goed uit de droom halen. Nooit gekund. Daarom ben ik zo goed in verhalen verzinnen met kinderen, ik corrigeer zelfs geen schattige verspreking. Als zij denken dat het pinazi heet, dan heet het pinazi. Een van de ergste dingen die ik heb moeten doen is de jongste vertellen dat Sinterklaas niet bestond. En dat deed ik alleen maar omdat ik had gemerkt dat haar schoolvriendinnetjes zoveel verder waren dat ze haar mogelijk zouden gaan uitlachen.

Ik heb me vaak in rare bochten moeten wringen vanwege de dromen van anderen. Soms denken kinderen dat ik Anna Woltz ben. ‘Wat cool, ik zag u nog op het Jeugdjournaal’. Dan vind ik het zo sneu voor ze dat ik dat niet was, dus dan glimlach ik alleen maar mysterieus. Of is dat eigenlijk laf? Wat als die meterman straks in de boekwinkel gaat zoeken naar de plank met boeken van Annie Praag?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*