Pinkstermama

En ze valt en ze valt en ze valt.

Mijn lieve wiebelmoedertje.

O mama

En dus zat ik op Eerste Pinksterdag niet in de zon op een terras of in een park maar wederom in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis, waar ze mijn moeder, na de zoveelste val, met de ambulance naar toe hadden gebracht.
O mama.
Ze zullen haar wel weer oplappen maar het is bijna onmenselijk om te zien hoe ze weer bont en blauw is, deze keer met enorme verbandtulband om haar hoofd. En elke keer ook die geestelijke klap: vallen is toch even in duizend stukje uiteen barsten. Hoeveel vallen kan een mens maken? Hoe vaak ga ik haar nog, samen met mijn zus, gebutst als een klein kind in mijn armen hebben? Wat is daar nou in Godsnaam de bedoeling van?

Fokking ziekenhuis

Ik zou dus eigenlijk iets leuks gaan doen met de lieve J. We zaten net op het terras met vrienden toen dat telefoontje kwam. ‘Je hoeft echt niet mee,’ zei ik nog, maar hij deed het toch. Zoals hij onlangs ook aan mijn bed zat in datzelfde fokking ziekenhuis. Deze keer een beetje babbelend met mijn moeder en verder discreet maar stabiel op een bankje in de gang. Urenlang, tot de zon al onder was en de mooie Pinksterdag voorbij. ‘Iedereen zou af en toe een halve dag moeten doorbrengen in het ziekenhuis,’ zei hij later – en dat hij allemaal wijze bespiegelingen had gehad over het leven in het algemeen en zijn eigen leven in het bijzonder.
Dat was op veel manieren een geluk bij een ongeluk.

 

 

Reacties (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*