Mijn moeder de glazenwasser

Amsterdam slaapt, heel kort maar toch. Ergens in de vroege ochtend valt alles stil, gedurende een uurtje of drie.

De scooters, de kroeglopers, de rolkoffers, de timmermannen, de fietsbellen. En de geuren: de hashdampen, de patat en shawarma, het verse brood van alle concurrerende bakkers, altijd wel eentje open. De ratten, de gekken, de wezenloze toeristen en de nonstop vuilnisauto’s. Als een dikke, vette hoer knipogend achter haar raam, zo komt Amsterdam bij me binnen.

Snackbar

Naast de snackbar, ik vond dat niet heel sexy klinken. Maar voor mijn dochters bleek dat juist een grote attractie. ‘Dag en nacht verse patat, de hemel,’ verzuchtte Chaia.
Er lopen hier ook vage mannen met bolhoeden door de straat die zichzelf ‘buurtgastheer’ noemen. Martin is mijn favoriet.  Hij veegt je stoepje, spreekt stoepfietsers en foutparkeerders streng toe en praat en praat met iedereen die niet door hem heen kijkt. Voor de deur ontmoet hij mijn moeder en algauw hebben die twee een gesprek waar ikzelf ver buiten sta. Als ik eindelijk de stomme rollator weer heb uitgeklapt, hoor ik hem tegen mijn moeder zeggen” ‘Dus dit is jouw ouwe buurtje? Wat leuk.’  Wat niet waar is, het is MIJN oude buurtje, twee dochters zijn hier om de hoek geboren. Mijn moeder woonde juist altijd aan de andere kant van het Damrak. Maar ze knikt enthousiast naar de buurtgastheer en voegt er zelfs de cryptische zin aan toe: ‘Ik heb hier vroeger nog alle ramen gelapt in de hele straat.’
‘Dat waren toch echt andere tijden he?’ zegt de buurtgastheer warm en vol begrip.

Slaapliedje

’s Nachts wiegen de geluiden van de stad mij als een lullaby of Harlem in slaap. De buren hebben een feest, altijd wel ergens. Niemand klaagt, niemand is hier immers komen wonen voor de rust. Ik slaap zacht verder. Onduidelijke funk. Eindeloos geklets, door hormonen gedreven studenten. Om even wakker te schrikken van Dunya, die met haar hele meiden-slaapfeestje van vier vriendinnen de trap af komt stommelen, blote voeten en alles. ‘Waar gaan jullie heen?’ mompel ik, want mijn bed is in de woonkamer. ‘Even patat halen, goed? En daarna echt slapen, mam, beloofd.’
Ik wacht tot ik ze terug hoor komen, de frietgeur komt met hen mee. En dan zak ik toch nog diep weg in die paar zeldzaam stille uren. Nog ver voor het licht is, begint het buiten alweer te rommelen. Het hotel zet de tafeltjes buiten, de bakker verleidt de eerste vroege fietsers op weg naar hun werk en misschien een verlate nachtvlinder. Glasbak, vuilnisauto, timmerman. Ik open de gordijnen.

Reacties (3)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*