Nachtvlinders

We waren gevlucht naar cafe Ot en Sien, om de hoek bij de pont.

Als je tuin een terras is, betekent dat niet dat je de deur niet meer uit hoeft voor een avondje bijkletsen. Integendeel. Dus toen G langskwam en ik steeds moest opspringen voor deze of gene dagschotel gingen we maar snel een goed cafe zoeken hier in de buurt.

Mooie Nel

De muziek van Ot en Sien stond tergend hard, vintage songfestival meets Jordaanschlager. ‘Ik heb niks met muziek,’  zei G.  En dat hij het als eerste zou skippen op een onbewoond eiland. Ondertussen zong ik alle liedjes mee, vooral de foutste.
Mijn haringmannetje was er ook, klef door het bier. ‘ik moet jou nu een kusje geven.’ Een wat oudere sportschoolvrouw met lang geblondeerd haar. Een dunne bleke barman. Bier dat Mooie Nel heette. Een iets te koud terras. Kortom, geen enkele reden om verder te zoeken.
De straat naar de pont werd elk uur van de nacht meer levendig. Er was een bruiloft bij het Tolhuis waar ze dansten op Brick House. De man van het koffietentje die sinds kort met patatbakken is begonnen, deed geweldige zaken met alle nachtvlinders van de hippe cafés bij het IJ. Langs de kades rustten de rivericruiseschepen, de slapende ouwetjes gelukkig een beetje dovig. Overdag zie je ze wel eens heel voorzichtig uit zo’n boot een touringcar in schuifelen, samen met hun rollators.
En boven dit alles waakte de Adamtoren een beetje mysterieus met steeds veranderende lichtjes in de top. Normale mensen mogen daar nog niet in, er was een spookfeest gaande.

Hondenriem

Het werd later en later en de barman van Ot en Sien begon met karaoke. G en ik zaten nog steeds op het terras omdat je daar tenminste kon praten maar binnen werd het steeds warmer en wilder. Ik zag mijn haringman inmiddels op handen en voeten over de grond kruipen, achter de blonde vrouw aan. In haar hand had zij een hondenriem.
‘We gaan,’ zei ik majesteitelijk tegen G, ‘we moeten slapen.’ Ik had net uitgerekend dat ik al bijna twintig uur achter elkaar op was en met nieuwe gasten in de suite zat uitslapen er weer niet in.
Binnen lispelde de haringman in mijn oor: ‘Jouw buurvrouw, ik vind jouw buurvrouw , je weet wel die ene, die vind ik zó lief.’ De barman zong ‘Amsterdam Amsterdam de stad waar alles kan’ en terwijl ik wachtte op het wisselgeld deed ik een klein dansje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*