Spaanse dochter

Het is kersttijd en ik neem mijn oude moedertje feestelijk mee uit eten. ‘Je moet het koesteren,’  zeggen mijn vrienden. ‘Wees in het moment. Probeer er ondanks alles van te genieten.’

Had ik al geschreven dat ik in Nederland ben? Zo ongeveer de eerste afspraak die ik maakte was met mijn moeder. De vorige keer dat ik met haar ging eten, liep uit op een soort miniramp. Het Spaanse restaurantje waar ze gereserveerd had ‘zo leuk en lekker en ze maken alles zelf. Ik heb ze al verteld dat ik met mijn Spaans dochter zou komen’  nou goed, dat restaurantje dus, bleek onvindbaar. Zeker een uur hebben we rond de Nieuwmarkt gezwalkt, terwijl mijn moeder iedereen – zwerver, red light toerist, pakketbezorger op brommer – aanklampte; ‘Kent u misschien een Spaans restaurantje, zo leuk en lekker en ze maken alles zelf?’
Uiteindelijk strandden we bij een prima eetcafé, maar mijn moeder bleef pruilen. ‘En ik had ze al verteld dat ik met mijn Spaanse dochter zou komen.’
‘Ik ben blij dat ik eens niet Spaans eet,’  zei ik nog – maar die kwam niet aan.

Twee zielige klapstoeltjes

Deze keer is mijn moeder beter voorbereid. Ze staat me op te wachten en slaat linksaf in plaats van rechts. ‘Kijk, hier is het al.’
Het is geen restaurantje, het is een ijskoude ruimte die lijkt op een snackbar. ‘Kijk hoe leuk die stenen muren,’  zegt mijn moeder bibberend, maar dat is plakplastic.
In arren moede gaan we op de twee zielige klapstoeltjes zitten. Ik loop naar de toonbank. Er is kaas en worst en dat is het. Manchego-kaas en chorizo, dat wel. In een vrij treurige  poging om met mijn moeder mee te spelen zeg ik vrolijk tegen de jongen achter de toonbank: ‘Nou, het is net alsof ik in Spanje ben.’
‘Echt waar?‘  zegt de jongen. ‘Daar ben ik zelf nou nooit geweest.’
‘Jullie maken alles zelf,‘  zegt mijn moeder. ‘Zo leuk en lekker.’
‘Nou,‘  zegt de jongen. ‘Mijn oom heeft een groothandel en we komen zelf uit Turkije.’
Ik bestel kaas en worst en mijn moeder vraagt om een vork, een mes (‘mijn gebit is namelijk….’), een servetje, een glas, een rietje, een tandenstoker. Ze propt het eten in het servetje en dan in haar tas. En ze blijft maar staren naar een reusachtige chocolademuffin in de etalage. Ik geef haar die, ze verkruimelt hem over de vloer, harkt de kruimels daarna woest op met haar wandelstok. En eet ze op.

Poep

Nadat we tien keer hetzelfde gesprek over de kleinkinderen hebben gevoerd, wil ze naar het tehuis terug. ‘We hebben zo leuk en lekker gegeten, mijn Spaanse dochter en ik,’  zegt ze tegen iedereen -maar dan ook echt iedereen- die we onderweg tegenkomen.
Haar kamer stinkt naar poep en ik deins even achteruit. Maar ze klampt zich aan me vast en zegt gespeeld-zielig: ‘Je mag nu niet weggaan, ga niet bij me weg.’
Ik knik, ga op de bank zitten, voer nog een keer hetzelfde gesprek over de kleinkinderen, terwijl ik probeer niet aan poep te denken. Ik begin haar zelfs iets wezenlijks te vertellen over mijn leven, iets waar ik mee worstel.
Maar dwars daardoorheen zegt mijn moeder: ‘Ik ga mijn pyjama aandoen en lekker in bed tv kijken.’
Ik sta weer op en deze keer lijkt ze tevreden. Ze zwaait me uit en dan zegt ze nog: ‘Je hebt me even heel gelukkig gemaakt.’

Daar zou ik kunnen eindigen, heel ontroerend.
Maar zo eindigt het echt: ik ga steeds sneller lopen en in de lift spuit ik alles onder de parfum, inclusief een of andere lispelende gnoom in een rolstoel die er al in staat. Koesteren, genieten? Op het sputterende ritme van de gnoom sta ik onafgebroken en niet eens zo heel zachtjes te vloeken.

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (6)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*