Opa Snor in Afrika (revisited)

‘Ik had een angstdroom vannacht,’  zeg ik tegen mijn dochter. ‘Opa Snor kwam en ik had helemaal niks voorbereid; hij moest koude pasta eten.’
Ze kijkt me verwachtingsvol aan en ik begrijp dat mijn clou de hare niet is: dat ik bij mijn vader altijd alles perfect wil doen. Hij komt vandaag en ik wil zelfs die paar kleine wolkjes weg hebben uit de lucht, nu!
Het slaat nergens op (mijn vader zal de eerste zijn om dat te bevestigen) maar het is hardnekkig. Daarom -en omdat het best grappig is- voor deze keer een oud stukje opnieuw: Opa Snor in Afrika.

Januari 2008. Mijn vader komt op bezoek met zijn vrouw Anne, en omdat hij zich af en toe zorgen maakt over al onze avonturen, heb ik voor het eerst deze reis reserveringen gemaakt en een echte planning.
Dan breekt de oorlog uit in Kenya, zo’n beetje op het moment dat mijn vader er landt. De piloot waarschuwt iedereen om vooral zijn hotel niet te verlaten.
Terwijl de eerste doden vallen, gaan wij gewoon op safari. Op oudejaarsdag zitten we in een prachtige, maar totaal verlaten lodge waar alle feestelijke activiteiten zijn afgelast. Gelukkig heeft opa Snor zelf oliebollen meegenomen.
De dag erna krijgen we motorpech en opa Snor en Anne zoeken mee naar een garage. Uiteindelijk vinden we op een superlelijke plek iemand met een kist met onderdelen; daarbij zit -godzijdank- wel precies het onderdeel dat we zoeken.

Tsetse-vliegen

Als we uitwijken voor een kudde koeien rijden we achteruit tegen een andere auto op (gelukkig net verse dollars getapt…) en op de stenige vlakte van de Serengeti krijgen we voor het eerst deze reis een lekke band en daarna nog eentje. De zebra’s kijken toe hoe we prutsen met een kapotte krik en in het pikdonker komen we dan eindelijk bij de camping aan.
Die nacht hoor ik opa Snor streng optreden tegen een huilende hyena naast de tent – een beetje zoals hij vroeger ook onze honden commandeerde. En de volgende ochtend worden we allemaal wakker van een groep bavianen die krijsend op onze spullen dansen.
De “special campsite” die ik bij wijze van verrassing voor vijftig dollar per persoon heb gereserveerd, blijkt niet meer dan een vlag aan een prikkelig bosje, waar het wemelt van de tsetse-vliegen (ja precies, die waar je slaapziekte van kunt krijgen). De gewone campsite is gelukkig eigenlijk heel mooi en opa Snor neemt er een bushdouche (= water uit een emmertje over je heen gooien) want alles is nu wel heel erg stoffig.

Out of Africa

Maar in de Serengeti kan het niet misgaan, safariwise. Giraffen huppelen voorbij en nijlpaarden wentelen zich in het water, dat verderop felroze is van duizenden flamingo’s.
We nemen een klein weggetje en, net als Ilco zegt “hier kunnen we wel even de auto uit”  zien we een leeuwenfamilie met kleintjes.
Als we daar eindelijk wegrijden, houdt het pad op. Zomaar ineens.
Daar staan we dan, de enorme weidsheid van de Serengeti om ons heen. Geen gps, geen compas. We rijden urenlang door het niks, geen idee waar we uitkomen. Mijn vader neemt het vrij laconiek op, terwijl ik achter het stuur enorm zit te stressen. ‘Pippi Langkous zegt het ook: ergens kom je altijd. Toch? Toch?’
En dat is natuurlijk ook zo. We slapen tussen de masai-strijders met een uitzicht alsof voortdurend Out of Africa wordt gedraaid. En ’s avonds speelt opa Snor bij het kampvuur op zijn mondharmonica en alles is goed.

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*