Erge dingen en nog veel, veel ergere dingen

‘Haar teen groeit scheef,’  zegt de huisarts van Montefrio waar we komen voor een gekneusde enkel. Ze laat foto’s maken van Chaia’s voet en stuurt ons door naar het ziekenhuis in Granada.

Superchagrijnig word ik ervan. Het ziekenhuis in Granada, dat kost me een hele schrijfdag. En waarom? Ze heeft nergens last van. De avond ervoor stampt Chaia nog woest op dat teentje door het huis. ‘Ik heb veel te veel huiswerk, ik heb hier écht geen tijd voor.’  Dunya huilt dat ze ‘s ochtends alleen thuis moet blijven, want zo vroeg moeten we al weg. En tot overmaat van ramp werken nu alleen nog maar de eerste, derde en vijfde versnelling van de Landrover.

TIK

Maar ik regel alles. Dat Dunya al eerder in de schoolbus mag. Dat Chaia ophoudt met zeuren – en ikzelf ook (‘We moeten het zekere voor het onzekere nemen, je bent wel een danseres. Wie weet hoe blij we later zijn’). En in het holst van de nacht komt de lieve man van de garage mijn auto nog omruilen voor een vervangauto – zijn eigen. ‘Start hij wel?’  informeer ik lichtelijk paranoïde, want er ligt alweer ijs op de velden. ‘Dat denk ik wel,’  zegt de man van de garage.
Maar als ik in alle vroegte de sleutel omdraai, zegt de auto alleen maar TIK. En de man van de garage neemt niet op. Waardoor ik goede vriend Frank  razendsnel uit Montefrio moet laten komen om zijn auto te lenen. Zeven kilometer heen en ook weer terug, want we moeten hem natuurlijk eerst thuis afzetten. Twee keer komen we langs de schoolbus, met Dunya’s verbaasde koppie voor het raam.

Megaslip

Veel te laat scheur ik de stad uit. Op de wegen nog steeds ijs want aan strooien doen ze hier niet. En dan gebeurt het. Bovenop een bochtige berg raken we in een megaslip. De auto draait en draait, terwijl Chaia en ik allebei doodstil zitten, ook al bevroren. Pal voor de afgrond komt hij tot stilstand.
Nog steeds zwijgend doet Chaia, supercool, haar riem vast.
Dan kijkt ze opzij naar mij. ‘Nee hè, je gaat toch niet huilen? Dat kan ik er echt niet bij hebben.’
En verder gaan we weer, langzaam nu, naar het ziekenhuis. Waar we natuurlijk veel te laat zijn, maar dat geeft niet want de wachtkamer ontploft toch al. En als we eindelijk naar binnen mogen, bekijkt de specialist Chaia’s voet heel vluchtig. ‘Heb je er last van?’ Nee? Dat kan gaan gebeuren, misschien over tien jaar en misschien nooit. Kom tegen die tijd maar terug.’
Verslagen door zoveel zinloosheid rijden we de lange weg terug. Eenmaal bij de garage toont de garagehouder me dat hij de auto heel makkelijk in alle versnellingen krijgt. Het is dat ik Ilco ook heb zien worstelen, anders zou ik denken dat ik niet kon rijden.

Olijfboom

Maar voor ik dat echt door heb laten dringen, bereikt me het verhaal van het laatste dorpsdrama: een eenzame olijfboer van veertig heeft zich verhangen aan een olijfboom. De oogst is net voorbij en zijn vader heeft hem gevonden. Felix, zo heette hij – ook dat nog.
Goed, er zijn dus altijd nog veel, veel ergere dingen.

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (8)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*