Pas op de wauwelwok

‘Zullen we vannacht een knalfuif geven?’
Maartje scheen niet te begrijpen dat ze iets raars zei. Net zoals ze niet begreep dat ze eigenlijk werd uitgelachen op het schoolplein als ze zulke ouderwetse woorden gebruikte. Mij ergerde het altijd enorm, waarschijnlijk omdat ik zelf net zo was. Want ik wist meteen waar dat rare zinnetje vandaan kwam: Maartje had het gelezen bij De dolle tweeling.

Dat je wilt dat je leven een boek is, is tot daar aan toe. Maar als je dan ook nog in boekentaal gaat praten, kom je in de gevarenzone. Ik heb er tot de dag van vandaag last van. Dan schrijf ik: ‘we versnellen onze pas’. In een jeugdthriller! Wie zegt dat nou?! Tegen mijn kind zeg ik ineens: ‘Ben je helemaal betoeterd!’ Of iets extreem taalkundig verantwoords als ‘niet dan nadat’ waardoor iedereen kijkt alsof ik een enorme tut ben.

Kampioen

Gelukkig is er ook boekentaal die je leven verrijkt, omdat de woorden voor iets dergelijks gewoon eerst nog niet bestonden. Horcrux. Tinkelen. Smurf. Vogelheks. Brozem. Nangijala. Oempaloempa. Struikelhul. De kampioen nieuwewoordenverzinner is natuurlijk Paul Biegel, denk alleen maar aan duizeldroom, Anderland, bedirpsen, woestewolf…
Lastig wordt het als de woorden eigenlijk vertaald zijn uit het Engels. Veel van mijn boekenliefde komt via mijn vader. Hij heeft mij, zoals zijn moeder hem, voorgelezen tot ver in mijn pubertijd. Zo werd ik een beetje opgevoed door An Rutgers van der Loeff. En ik leerde de bizarre versjes van Alice in Wonderland uit mijn hoofd, net zoals mijn vader dat had gedaan met zijn moeder. ‘Pas op de wauwelwok mijn kind,’  zei mijn vader tegen mij. En ik vulde aan: ‘Zo scherp getand, van klauw zo wreed! Zorg dat Tsjoep-Tsjoep je nimmer vindt, vermijd de Barbeleet!’
Wat zal mijn jongste dochter daarom lachen, dacht ik laatst. Want ik heb de traditie doorgezet. Zelfs mijn oudste twee lees ik nog af en toe voor, ook al zitten ze al lang op de middelbare school. Maar mijn jongste dochter is anders. Die houdt namelijk niet van lezen en eigenlijk heeft ze voor voorlezen het geduld niet. Toch lees ik haar elke avond voor, want gezellig is het wel, zo samen in haar bed. Meestal zit ze ondertussen met haar knuffels te spelen, geld uit haar spaarpot te tellen, of onduidelijke briefjes te schrijven. En soms is ze ineens per ongeluk geboeid. Alleen op de wereld vond ze prachtig. En inderdaad, om Alice in Wonderland moet ze bij vlagen vrij hard lachen.

Teleurstelling

Daarom is de teleurstelling groot als hij ineens uit het boek verdwenen is, de wauwelwok. Ik heb Alice in een mooie nieuwe vertaling van Nicolaas Matsier. Meestal gaat dat goed, zoals bij de Kollummer Kat (hoe heette die eerst eigenlijk?). Maar nu heeft Matsier gekozen om ‘jabberwocky’ te vertalen als ‘koeterwaal’: ‘Hoed voor de Koeterwaal je, zoon! Zijn scherp gebit, zijn reuzenzwaai. Vermijd het Dubdubdier, verschoon de glurieuze Beffesnaai!’
Ook mooi. Maar ik mis de wauwelwok, waar is hij gebleven?

Gepubliceerd als column op Leesplein in juni: http://www.leesplein.nl/LL_plein.php?hm=1&sm=2&id=97

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (2)

  • Heerlijk, wonderlijke woorden verzinnen die er dan ineens bijhoren.

    Ada

  • Waarom moeten er altijd nieuwe vertalingen komen als de oude ook goed zijn? Zo kocht ik voor een bevriend paar dat gaat trouwen onlangs ‘De Profeet’ van Kahlil Gibran in een nieuwe vertaling van Desanne van Brederode. Weg was de poëzie en de mystiek van de oude vertaling van Carolus Verhulst. Gelukkig kon ik nog een tweedehandsje op de kop tikken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*