1 april

‘Wat is de beste 1 aprilgrap die jij ooit heb uitgehaald?’  vraagt mijn jongste dochter. We zitten al een tijdje te bespreken waarom de ene grap (‘we zeggen tegen Chaia dat ze nooit meer mag paardrijden’) ongeloofwaardig is, de volgende (‘we verzetten alle klokken en maken Bloem  middenin  de nacht wakker en zeggen dat ze zich heeft verslapen’) voor de grappenmaker zelf irritant is, of gewoon niet leuk (alle andere grappen).
‘In Sudan, met je zusjes,’  zeg ik meteen.

Mijn dochters zijn, net als ikzelf, een soort Samson: kom aan mijn haar en je komt aan mij. Kappers zijn onze natuurlijke vijanden (‘Ik ben een long hair lover,’  fleemde een kapper ooit. Dat was zo bijzonder dat ik jaren bij hem ben gebleven), net als chloor, oude kauwgum op ligbedden, of walmend fituurvet. De beste 1 aprilgrap ooit ging dus ook over het haar van mijn dochters.

Prinses op de erwt

Het was op de terugreis van Afrika. Wekenlang hadden we door de woestijn gereden. Toen was er een verplichte stop waar we het Nasrmeer over moesten met een boot. Die boot ging niet meteen, we moesten eerst dagenlang allemaal formaliteiten afhandelen. En al die tijd mochten we niet in de daktent slapen, maar verplicht in een soort grenshostal. Dat zag er in eerste instantie helemaal niet zo stom uit: grote slaapzalen waar stapels vrolijk gekleurde matrassen lagen. De meisjes speelden er prinses op de erwt en Ilco en ik regelden een prive-slaapzaal alleen voor ons gezin.
De slaapzaal bleek ‘s nachts alleen kokend heet en de matrassen zelf enorm synthetisch. Pas na een tijdje kwamen we erachter dat dat gekriebel ook nog door iets anders kwam. Vele reizigers voor ons hadden er een hele mini-dierentuin aan bedbugs, vlooien en luizen achtergelaten. Ineens snapte ik het liedje van de musical Hair: ‘A home for fleas, a hive for bees, a nest for birds… There ain’t no words, for the beauty, the splendor, the wonder of my hair.’

Oases en luizengif

‘Straks in Egypte komt dat allemaal weer goed,’ beloofden we onszelf, want ook douchen was lastig in de woestijn. We droomden van oases en luizengif .En eindelijk lukte om een felbegeerde plaats op de boot te bemachtigen.
Toevallig was het die dag net 31 maart en in die lange, hete nacht verzonnen Ilco en ik een goeie grap – dat dachten we tenminste.
‘We kunnen vanmiddag eindelijk weg met de boot,’  vertelden we de meiden die ochtend, ‘alle papieren zijn in orde. Er is alleen één dingetje. Ze willen in Egypte niet dat al het ongedierte van Sudan er binnenkomt. Dus iedereen moet zijn haar afknippen, liefst zo kort mogelijk. Maak je geen zorgen, het is toch al tamelijk dood van de zon. En het groeit ook heus snel weer aan.’
We kregen niet eens de kans om ons verhaal af te maken. Ten overstaan van de verbijsterde Sudanezen begonnen onze schattige kleine meisjes te brullen en te krijsen als wilde dieren. Ze gilden en renden weg, bedekten hun hoofden, schreeuwen dat ze nooit met ons mee zouden gaan, dat ze de rest van hun leven wel in Sudan zouden blijven, en dat we niet van ze hielden omdat we ze anders nooitnooitnooit hun haren zouden laten afknippen.
‘1 april. 1 APRIL!’  riepen Ilco en ik geschrokken. Maar het duurde zeker een uur voor ze weer een beetje gekalmeerd waren.

Categorieën: verhalen van de berg

Reacties (1)

  • Toevallig ging ik deze week op zoek naar je Ethiopië verhalen (Jan en ik willen w.s. in januari naar dit land) in je Afrika blog en kwam ik dit voorval tegen…

    Ada

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*