Bloem en Moses

(Tiran Island, km 49713 )

Lievelingsgedicht van Bloem, vandaag elf jaar geworden:

In je hoofd
Kun je alles.
Fietsen naar de maan,
Op de wolken staan.
Strelen met je handen los,
Lopen door een donker bos,
Vechten als een tijger
Dansen als een elf
Afscheid nemen zonder tranen.
Alles gaat vanzelf

(Theo Olthuis)

Holy Moses

We gaan op pelgrimstocht. Klauterend, half op kamelen, beklimmen we de berg waar Moses van God de Tien Geboden te horen kreeg. We hebben onze superdikke slaapzakken mee, want we gaan boven de zon zien opkomen.
Als we gaan slapen, hebben we de berg bijna voor onszelf. We liggen in de beschutting van een klein kerkje naar de sterren te kijken, terwijl Bloem de ene levensvraag na de andere op ons afvuurt (‘Valt er nooit een ster op je hoofd?’ ‘Hoeveel werelden zijn er eigenlijk?’ ‘Tuimelen we niet op een dag door het gat in de onzonlaag?’ ‘Wat is je ziel?’ Waar zit die dan? Kan je dat zien?’). Zulke grote vragen, de zoektocht van Moses verbleekt er gewoon bij!
Uiteindelijk val ik in slaap – om kort daarna wakker te worden als de Russen komen. Oude dametjes gehuld in dekens, struikelend en kakelend, terwijl ze een reusachtig kruis met zich meetorsen. Eén vrouw is haar zus kwijt: ‘Katarina, Katarina!’ echoot het wanhopig over de Sinai. Als zij eindelijk stil is en alle Russen een plaatsje gevonden hebben, komen kort daarna de Amerikanen, die gelukkig heel wat stiller zijn, maar wel irritant felle hoofdlampen op hebben alsof ze bouwvakkers in de nacht zijn. En zo gaat het door, tot aan het ochtendgloren. Hongaren, Fransen, Canadezen, Nederlandse corpsstudenten in korte broeken (‘Holy Moses, wat is het koud hier. Wie wil er een biertje?’), de berg wordt voller en voller. Op het laatst kan er niemand meer liggen. De ijskoude wind snijdt je de adem af en de Bedoeinen doen goeie zaken met het verhuren van oude dekens. En om de tien minuten klinkt het, inmiddels steeds wanhopiger: ‘Katarina!’

Tiran island

Als de zon eindelijk opkomt, ontstaat een ware extase. Vormeloze hopen mensen, gehuld in paardendekens, verdringen zich met camera’s in de richting van de zon. Dat die zon verstopt blijft in de wolken, maakt helemaal niks uit. Een Tsjechische pater stort bijna van een rots bij zijn capriolen om interessant op de foto te komen. De Israeli, in stemmig zwart met kousen en handschoenen, zingen zoete Hebreeuwse liederen, verderop beginnen de Hindi rommelig aan een psalm. Een jonge Oosteuropees kust onophoudelijk de grond, precies op de plek, zie ik tot mijn schrik, waar Dunya gisteravond nog een koud plasje had gedaan. Katarina lijkt inmiddels eindelijk gevonden – of misschien is haar zus nu zelf ook kwijt. Onze dochters kijken zwijgend toe, met één oog van onder de warme slaapzakken.
En even plotseling als de massa is aangekomen, is ook iedereen weer weg en de devotie geluwd. Ook wij beginnen aan de lange afdaling (ik op hoge hakken, ja). Op naar het water, de warmte en Bloems verjaardag, die wij vieren rond het Saudische Tiran Island. Een hele dag varen en taart eten op een versierde duikboot. Bloem, in haar nieuwe rode bikini, mag met de echte duikers mee en achtereenvolgens komen een dolfijn, een reuzenschildpad en een reusachtige rog naar haar toe om haar te feliciteren.
Met Moses nog vers in mijn gedachten, kijk ik nog eens goed naar de Rode Zee. En ja hoor, hij splijt open. Ruim baan voor Bloem, elfje van elf en prachtig!

7 mei 2008

PS Zie ‘ nieuws’ voor een sprookje van Marije.

Categorieën: afrikareis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*