Op safari met opa Snor

(Karen, km 34007 )
Mijn vader komt op bezoek met zijn vrouw Anne, en omdat hij zich nog wel eens zorgen maakt over al onze avonturen, wil ik dat alles deze week vlekkeloos verloopt. Dus ik heb voor het eerst deze reis reserveringen gemaakt en een echte planning.
Natuurlijk loopt alles anders.

Opa Snor vliegt Kenya binnen op de dag van de verkiezingen en de piloot waarschuwt iedereen om vooral zijn hotel niet te verlaten.
Terwijl de eerste doden vallen, vertrekken wij toch voor onze safari. Op oudejaarsdag zitten we in een prachtige, maar tamelijk verlaten lodge waar alle feestelijke activiteiten zijn afgelast. Gelukkig hebben we zelf champagne en oliebollen bij ons.
De dag erna krijgen we motorpech en opa Snor en Anne zoeken mee in een klein ontoeristisch dorpje naar een garage. Dat blijkt een leeg terreintje te zijn met een kist onderdelen ernaast, maar daarbij zit gelukkig wel precies het onderdeel dat we zoeken.

Tsetse-vliegen

Als we uitwijken voor een kudde koeien rijden we achteruit tegen een andere auto op (gelukkig net verse dollars getapt…) en op de stenige vlakten van de Serengeti krijgen we voor het eerst deze reis een lekke band en daarna nog eentje. De zebra’s kijken toe hoe we prutsen met een kapotte krik en in het pikdonker komen we dan eindelijk bij de camping aan.

Die nacht hoor ik opa Snor streng optreden tegen een huilende hyena naast de tent – een beetje zoals hij vroeger ook onze honden commandeerde. En de volgende ochtend worden we allemaal wakker van een groep bavianen die krijsend op onze tent dansen.
De “special campsite” die ik bij wijze van verrassing voor vijftig dollar per persoon heb gereserveerd, blijkt niet meer dan een vlag aan een prikkelig bosje, waar het wemelt van de tsetse-vliegen (ja precies… die waar je slaapziekte van kunt krijgen), dus daar blijven we niet. De gewone campsite is gelukkig eigenlijk heel mooi en opa Snor neemt er een bushdouche (= water uit een emmertje over je heen gooien) want overal kleeft stof.

Out of Africa

Alles wat mis kan gaan is dus inmiddels wel misgegaan.
Maar wat is het mooi! In de nacht zien we een cheetah op de weg dansen en we zijn voortdurend omringd door kuddes olifanten, buffels en zebra’s. Giraffen huppelen voorbij en nijlpaarden wentelen zich in het water, dat verderop felroze is van duizenden flamingo’s.
We nemen een klein weggetje en, net als Ilco zegt “hier kunnen we wel even de auto uit”  zien we een leeuwenfamilie met kleintjes.
Als we daar eindelijk wegrijden, houdt het pad op. Zomaar ineens.
Daar staan we dan, de enorme weidsheid van de Serengeti om ons heen. Geen gps, geen compas. We rijden dwars door de velden, wat ik geloof ik nog spannender vind dan mijn vader – het motto van Pippi Langkous volgend “ergens kom je altijd”.
En dat is ook zo. We slapen tussen de masai-strijders met een uitzicht alsof voortdurend de film Out of Africa wordt gedraaid. En ’s avonds speelt opa Snor bij het kampvuur op zijn mondharmonica en alles is goed

Jarig bij de Masai-strijders

Tot over een jaar, lieve opa Snor en lieve Anne!

(volgende week veel meer Masai)

Categorieën: afrikareis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*