Auto op zijn kop

O nee, daar gaan we.
De auto draait en draait. Naar links, naar rechts. Klabeng, ondersteboven.
Dan een enorme klap waarna alles ophoudt.

Benzine. Bloed. Ik leef nog. Waar zijn de meisjes?
Ik zie Chaia, ze klautert over mij heen door het raam de auto uit. Bloem wil niet, de koelkast is op haar terechtgekomen. Iemand trekt haar door het dakraam naar buiten.
Waar is Dunya? WAAR IS DUNYA?
Hier is ze al, zegt iemand. Ik kruip naar buiten, als een beest over de grond. Op mijn hoofd het grote boek van Polleke waar Bloem net nog in zat te lezen, ik merk het niet.
Dunya huilt, ze zit onder het bloed. Blijkbaar is ze door het open raam de auto uitgeschoten. Ik trek haar op mijn schoot. Stil maar, alles komt goed.
Bloem ligt, ze wil niet opstaan. “Mijn rug, mama, mijn rug.” Stil maar.
Verderop schreeuwt Ilco wanhopig tegen de chauffeur die dit alles op zijn geweten heeft. Ik hoor hem steeds opnieuw roepen: “Pourquoi, monsieur, pourquoi si vite?” Stil maar.
Iemand gaat hulp halen. “Het ziekenhuis,” zeg ik, “vlug.”
Tijdens het wachten sjouwen Chaia en Ilco het hoogstnoodzakelijke uit de auto, die als een omgevallen tor op zijn rug ligt. Paspoorten, geld, autopapieren, de lievelingspopjes van de meisjes, de satelliettelefoon, de ipod.
Een mantra komt op in mijn hoofd. “We leven, we slaan ons hier wel doorheen, we zijn een sterke familie.”
Steeds herhaal ik die woorden tegen Dunya en Bloem. We leven, we slaan ons hier wel doorheen, we zijn een sterke familie.
En die hele lange, lange driehonderd kilometer naar de hoofdstad blijf ik dat maar herhalen.

Hippies

We hadden gekampeerd op het strand van een woest en prachtig natuurpark. Geen elektriciteit, geen wc. Alleen maar een paar hippies zoals wij die hun verse visjes roosterden boven het vuur en hun afwas deden in zeewater.

Het was een piste dwars door de woestijn om er te komen en op de terugweg bood de parkwachter aan om met ons mee te gaan om de weg te wijzen. De laatste vijf kilometer waren extra lastig en de parkwachter stelde voor dat hij zou rijden.
Het leek een goed idee van een betrouwbaar persoon met veel ervaring. Wie had kunnen denken dat deze man, zodra hij het stuur overnam, veranderde in een roekeloze macho, die binnen drie minuten de macht over het stuur kwijt was?

Wonder

Allahoe akbar, zeggen ze hier, God is groot. Het eerste wonder is dat we alle vijf ongedeerd zijn. Gebutst, gekneusd, geschramd, van top tot teen verstijfd, maar niks ernstigs.
Het tweede wonder zijn de hulptroepen. Waar kwam die Spaanse Arabier ineens vandaan die ons naar de hoofdstad bracht en een dag later de auto voor ons ophaalde? Mijn vriend Abbe van de kliniek, die steeds eten bracht (het is ongelooflijk fijn als je totaal ontredderd bent en er komt ineens iemand met pizzas binnen) en dag en nacht zijn auto en zijn telefoon voor ons openstelde. Of onze Landroverman in Nederland, Teije, die alles uit zijn handen heeft laten vallen om onderdelen te regelen die juist hier in Mauretanie enorm schaars zijn.
Het derde wonder is misschien de Landrover zelf wel. Het is door zijn enorm sterke kooi dat wij er nog zijn. En hij rijdt nog steeds, ook al is hij dakloos en totaal uit het lood.
We weten nu nog niet of we hem weer genoeg kunnen oplappen. En veel van onze fijne spulletjes zijn stuk. Maar dit weten we wel: we gaan hoe dan ook door met onze reis.
We leven.
We zijn een sterke familie.

Categorieën: afrikareis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*